Poliziek

Poliziek

Ben je scholier, bezorgen politici je een dip of vind je politiek zelfs ronduit ‘sick’? Dan is Poliziek misschien interessant voor jou! Deze website bespreekt verontrustende aspecten van overheden en politiek zoals onvrijheid, geldverspilling, polarisering, oorlog, doofpotten, onverdraagzaamheid, complotten, oplichterij, nepotisme, genocide, taalvervuiling, slavernij, maatschappelijke ontwrichting, corruptie, ongelijkheid, censuur, demagogie, incompetentie, onrecht, zelfverrijking, indoctrinatie, parasitisme, stagnatie, propaganda, sociale desintegratie en onbetrouwbaarheid. Zijn dit onwenselijke randverschijnselen van het ‘politieke bedrijf’ of vormen zij daarvan juist de kern?

‘Methoden & Technieken van Onderzoek’ – oefenexamen

Dit oefenexamen gaat over het boek ’Methoden & Technieken van Onderzoek’ (Mark Saunders), niveau eind hbo, met paginanummers waar de antwoorden in het boek te vinden zijn erachter. Succes!
Ps: wel een rommelig boek, vond je niet?

——————————

Bedenk zelf een metafoor voor de type 1 en type 2 fout, en leg uit hoe je de kans erop gelijktijdig vermindert. (203)

Welk verband bestaat tussen de werkelijke steekproefomvang en het (actieve) respons%? (206)

Als je bij een systematische steekproef de representativiteit van de steekproeffractie wil vergroten, hoe kan dat? (213)

En stel dat de populatie = 12000, de werkelijke steekproefomvang = 600 en het derde nr in je steekproef 51, waarmee startte je dan? (213)

Omschrijf het kernverschil tussen clustersteekproef en gestratificeerde? (217 oa)

Kiest etnografie voor de deductieve of inductieve methode, en wat zijn de 2 doelen ervan? (en welk van die 2 is de ‘grounded theory’?) Waarom spreekt men in dit opzicht ook wel van naturalistisch onderzoek? (133)

In welke 4 contexten wordt de term ‘action research’ gebruikt?

Bij welk type onderzoek is de externe validiteit vaak problematisch? (127)

Beschrijf kort: grand, middle range en substantive (inhoudelijke) theories.

Wat zijn 3 geschikte methoden tot verkennend onderzoek? Is het inductief of deductief? En wat is het grote voordeel ervan? (123)

Wat is typerend voor paradigma’s met het label ‘radicaal’? (28)

“Door een snelle maar slecht gecoördineerde groei van het op zich gezonde bedrijf X is de machtsbalans en communicatie tussen lijn- en stafafdelingen ernstig verstoord, waardoor werkvloer en klanten ontevreden zijn. De eigenaren vragen je welk paradigma je zou kiezen. (27)

Wat is de relatie tussen sociaal constructivisme en subjectivisme? (22)

Waarom lijkt vaak sprake van een botsing tussen epistemologie en ontologie? (23)

Waarom vinden sommige schrijvers ‘kwalitatieve methoden superieur’? (308)

Kan de tijdsduur van een interview invloed hebben op de respondentenbias? (307)

In welke context spreekt men van ‘ecologische validiteit’ en in welke rol als onderzoeker scoor je goed in dit opzicht als je primaire gegevens verzamelt? (282)

Waarom vormt gestructureerde waarneming altijd slechts een onderdeel van je methode tot gegevensverzameling? (285)

Als je onderzoek snel moet plaatsvinden en je wil het waarnemereffect vermijden, kies je dan voor gewenning of minimale interactie als strategie? (290)

Hoe zou jij, als student-onderzoeker met een sociaal netwerk van jonge mensen, onder tijdsdruk een onderzoek uitvoeren naar het % zwartwerkers in de horeca in je stad? Waarmee hou je allemaal rekening? (oa 227)

Noem 4 redenen om te kiezen voor een steekproef i.p.v. een census. (197)

Als je steekproeftrekking ‘representatief’ is, wat wordt dan bedoeld? (198)

Is er een verband tussen de omvang van de steekproef en de ‘waarschijnlijke fout’ bij het generaliseren naar de gehele populatie? (201) Hoe heet deze stelling?

Verklaar: centrale limitietstelling. (202)


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>